Tekst:  A   A+ A++

Nederland

Frits Winkelmolen

Op 20 juni 1945. Weer thuis. Thuis na een reis van meer dan 400 kilometer, eerst te voet, dan per vrachtwagen en trein, overnachtend bij boeren en kapot geschoten kazernes, heen en weer gesleurd. Wachtend, hopend. Ze zijn vrijwel meteen vertrokken na die 12e april, Frits en zijn vader. Bij bakker Ahrend in Rüdershausen wordt snel nog de kleine handkar volgeladen met brood. De man zet angstvallig zijn stempel achterin het met een hakenkruis getooid, nu vrijwel nutteloos geworden paspoort. Als teken van verleende hulp? (Der Mann setzt sorgfältig seinen Stempel in den mit einem Hakenkreuz geschmückten, jetzt nahezu nutzlos gewordenen Ausweis. Als Zeichen gewährter Hilfe?) De weg door het door de oorlog verwoeste landschap was moeilijk begaanbaar. Eenheden en ontbonden manschappen, ontheemden en omwonenden – vaak kruisten zich hun wegen en niemand wist van de andere waarom hij er was.

Het leven thuis hervat al snel zijn normale gang. Wat zou je ook veel praten over iets dat het hele dorp al weet, over iets dat het hele dorp zelf heeft meegemaakt. Soms worden ook vragen gesteld zoals die hoezo je in 1944 niet uit de gelederen der gedeporteerden gevlucht was. Merkwaardige vragen.

Ook Frits leeft verder. Hij trouwt en krijgt acht kinderen. Zijn passie is het trompet spelen, in de fanfare. Met zijn broer Sjraar werkt hij net als voor de oorlog vele jaren samen in een aannemersbedrijf. Eén van zijn kinderen komt te overlijden, een moeilijk te verwerken slag.

Frits is veel in de oude werkplaats te vinden, of voert restauratiewerkzaamheden uit voor de kerk in Neer, restaureert zelfs een torenspits van een kasteel in Grathem. Ook maakt hij er babykamers voor zijn 15 kleinkinderen

Hij heeft bovendien leren praten over zijn belevenissen in de oorlog, spreekt voor schoolklassen, op bijeenkomsten, bewaart angstvallig dat wat hem aan papieren in die tijd werd gegeven. Bovenal koestert hij, hoewel de acht maanden in Duitsland ook bij hem sporen hebben nagelaten, geen wrok tegen de Duitsers. Vergeten is niets, begrepen en vergeven veel. (Er hat es außerdem gelernt, über seine Erlebnisse im Krieg zu reden, er spricht vor Schulklassen, auf Versammlungen, bewahrt sorgfältig alle Papiere auf, die ihm in jener Zeit gegeben wurden. Vor allem hegt er, obwohl die acht Monate in Deutschland auch bei ihm Spuren hinterlassen haben, keinen Groll gegen die Deutschen. Vergessen ist nichts, verstanden und vergeben viel.)

Frits komt te overlijden op 6 november 2007, kort na zijn 86e verjaardag.
Vergeten…is niets.

Cees Louwerse

Cees kan niet meteen terug naar Nederland. Zijn Oekraïnse Marusha heeft geen geldige papieren en ze moeten trouwen om haar als Nederlandse de grens over te kunnen krijgen. Ze stellen alles in het werk om dat gedaan te krijgen; het lukt pas bij de derde poging. Zolang werkt Cees als tolk bij de geallieerden.

Eindelijk getrouwd stapt het paar op de trein om naar huis te gaan. Maar er is nog een laatste hindernis: Een officier van het bezettingsleger meent, dat Marusha zich beter achter een jas, die voor het raam hangt, kan verstoppen, opdat ze “niet zo in het oog valt”. Via Hannover en Brussel komt de trein in het Nederlandse Tilburg aan, gaat van daaruit verder naar Zeeland.

Cees moet nog een keer terug naar Göttingen. Op zijn eentje – om daar zijn werk te verrichten. In december 1945 keert ook hij voorgoed naar huis terug. Ook daar alleen maar een korte blik terug. Zelfs de vraag of men als student in 1943 niet beter toch ondergedoken had kunnen blijven wordt gesteld…

Cees doet zijn doctoraal sociale geografie, is leraar op het Christelijk Gymnasium in Utrecht en zet later op de Academie “De Horst” in Driebergen een afdeling “Cultureel Werk” op. Vanaf 1971 is Cees werkzaam als studievaardigheidscoach aan de Universiteit Utrecht. Cees is inmiddels hertrouwd en heeft vijf kinderen uit beide huwelijken.

Cees leeft zijn steeds nog arbeidzame leven in de buurt van Utrecht.

Het verblijf in Duitsland heeft bij Cees net zo zijn sporen achtergelaten als bij Frits. Maar hun belevenissen leiden er niet toe, dat ze haat of wrok tegenover de Duitsers koesteren. Veeleer hebben de goede en de slechte ervaringen een deur open gedaan naar een ander, opener wereldbeeld. Ook in deze moeilijke tijd was niet alles alleen maar zwart of wit, er waren de meest verschillende grijze tintjes met de meest uiteenlopende achtergronden. Vergeten is daarbij niets, maar veel is wel begrepen en vergeven.

“Dat verblijf duurde me echter allemaal te lang”, zegt Cees. “Ik was tenslotte al lang overtuigd van het naderende einde van de oorlog, een oorlog die door de Duitsers niet gewonnen kon worden”.

De lade openen/sluiten

Collegekaarten van de universiteit Utrecht voor Cees Louwerse voor het studiejaar 1941/42 en voor het studiejaar 1945/46:

Bron: Cees Louwerse, De Bilt

 

Memorandum van de Göttinger Town Major van 06.10.1945, inhoud: Sgt. Cees Louwerse, voormalige dwangarbeider, is bij de 330 Town Major als tolk en vertaler tewerkgesteld en verricht hier waardevolle diensten; hem is de reis naar Nederland tijdelijk toegestaan om zijn vrouw naar zijn ouders te brengen, daarna moet hij naar Göttingen terugkeren:

Bron: Cees Louwerse, De Bilt

 

Het onrechtvaardige vergeten

Het leven van de teruggekeerde Nederlandse dwangarbeidersverliep dikwijls zo als Frits en Cees het ons vertellen. Over de tijd in Duitsland werd bij hun thuiskomst eigenlijk niet veel gepraat. Alleen maar als ze elkaar ontmoetten, vertelden ze verhalen van vroeger en keken ze terug naar de toenmalige gebeurtenissen. De families waren blij als allemaal weer bij elkaar waren en je niet het lot moest delen van de in Duitsland gestorvenen en hun nabestaanden. Op deze kortstondige blijdschap volgde dan doorgaans snel en geruisloos het alledaagse leven, de opbouw van de huizen, de bewerking van de akkers en weiden of een studie. Na de vijf jaar bezettingstijd was er per slot van rekening nogal wat wederopbouwwerk te verrichten, hele landstreken stonden op het punt te vervallen

Eind jaren negentig van de 20. eeuw stortten Duitse bedrijven vele miljarden mark op een fonds voor de financiële schadevergoeding van voormalige dwangarbeiders. De Nederlandse media bliezen de zaak tot de stelling op dat eenieder van de meer dan 500.000 voormalige dwangarbeiders zijn aandeel zou krijgen, en zodoende eindigde dit Duitse gebaar voor de meesten van hun in een tamelijke chaos: Het onderwerp dwangarbeid had vijftig jaar lang gesluimerd, velen van de oudere betrokkenen waren reeds overleden, veel bewijsstukken van de toenmalige inzet waren verdwenen: weggegooid of zoek geraakt omdat het nooit belangrijk leek het ordentelijk te bewaren. Voor een verwerking van de geschiedenis die in veel individuele gevallen het toenmalige leed zou hebben kunnen bewijzen was er nooit tijd geweest. Vele duizenden werd daarmee zelfs postuum nog onrecht aangedaan, vele duizenden die nog leefden kregen niets omdat er immers geen bewijs voor hun leed meer was.

Omhoog

Maar tegelijk met de teleurstelling over dit onrecht werd ook de roep om verwerking van het onderwerp steeds luider. De voormalige dwangarbeiders wilden hun belevenissen delen, hun toenmalige lot aan de openbaarheid prijsgeven, opdat dit alles niet verloren zou gaan zoals vroeger al zo veel. Langsamerhand doken dagboeken op, werden oude brieven en briefkaarten gevonden, kwamen persoonsbewijzen, pasjes en oude foto‘s uit vergeten schuifladen te voorschijn. Bladzijde na bladzijde vulden zich de ooggetuigenverslagen waarin zich voormalige dwangarbeiders vaak voor de eerste keer sinds 1945 over hun belevenissen tijdens de oorlog uitten.

Belangrijker misschien nog dan enige financiële vergoeding was het voor de voormalige dwangarbeiders dat ze zich nu eindelijk als collectief konden uiten; het onderwerp kreeg stilaan gestalte, de toenmalige omstandigheden konden eindelijk duidelijk worden gemaakt, waardoor de betrokkenen hun verdiende aandacht verkregen. Uit dit collectief geheugen, dat zich tot de dag van vandaag verder ontwikkelt, onstond een basis die het mogelijk maakt aan projecten zoals deze tentoonstelling deel te nemen. Een tentoonstelling die poogt een stuk gemeenschappelijke geschiedenis te vertellen, tot nadenken aan te zetten.

„De jaren die we tijdens de oorlog geleefd hebben tellen dubbel“, uit zich een voormalige dwangarbeider in dat opzicht. Heeft hij het begrepen? Is niets zwart-wit; wagen sommige mensen onder bepaalde omstandigheden het uiterste, probeert een groot gedeelte van de bevolking zich onder de gestelde voorwaarden altijd binnen de grenzen van het menselijk billijke en mogelijke te bewegen? Als we ons tot het vergeten dwingen en niet opletten, moeten ook wij ons toekomstig misschien weer vanwege de extremen van weinigen als meerderheid in precies zulke omstandigheden bewegen zoals ze aan onze ouders en grootouders toen werden opgelegd.

Deze ervaringen, laten we ze dus vasthouden doordat we ze via deze tentoonstelling openlijk verspreiden. Opdat we toekomstig niet te vlug oordelen. Pas op deze manier laten we de hele zaak recht wedervaren.


Bron:
Lena Winkelmolen-Schreurs, Neer


Bron:
Lena Winkelmolen-Schreurs, Neer


Bron:
Lena Winkelmolen-Schreurs, Neer


Bron:
Lena Winkelmolen-Schreurs, Neer


Bron:
Lena Winkelmolen-Schreurs, Neer


Bron:
Lena Winkelmolen-Schreurs, Neer


Bron:
Geschichtswerkstatt Duderstadt e.V.


Bron: Cees Louwerse, De Bilt


Bron:
Cees Louwerse, De Bilt


Bron:
Cees Louwerse, De Bilt


Bron:
Lena Winkelmolen-Schreurs, Neer