Tekst:  A   A+ A++

Duitsland

Lina Stankowski, met haar meisjesnaam Schäfer, en Władysław Stankowski

In het voorjaar van 1945 wordt Lina Schäfer in Uschlag opnieuw zwanger, vader van het kind is haar vriend, de Poolse dwangarbeider Władysław Stankowski, die door allen in het dorp “Wades” wordt genoemd. Als deze verhouding zou ontdekt zijn, zou Lina in het tuchthuis terecht komen en Wades zou worden opgehangen. Maar kort voor het binnenrukken van de Amerikaanse troepen verraadt niemand deze twee. In april 1945 komt het tot gevechten in Uschlag. Plaatselijke SA-lieden zetten twee weermachtssoldaten gevangen; allebei worden als deserteurs terechtgesteld. Twee inwoners overlijden bij het beschieten van een bunker door Amerikaanse troepen. Dan is de oorlog hier voorbij.

Wades werkt verder op de hoeve van boer Beumler. Als Displaced Person (DP) brengen de bezettingsautoriteiten hem echter tegen zijn wil in een vrachtwagen naar een DP-kamp in Hannoversch Münden: “En alweer hebben ze me zo opgepakt zoals toen de Duitsers in Polen!” Hij neemt 's nachts de benen en loopt terug naar Uschlag. Lina gaat ermee akkoord samen met hem zonder officiële toestemming naar zijn Poolse vaderland te gaan. Maar ze lijden schipbreuk door ontbrekende papieren en moeten in Brunswijk rechtsomkeert maken. Van nu af aan blijft het paar in Uschlag. In augustus 1945 trouwen ze met elkaar, in december komt hun gemeenschappelijke dochter ter wereld.

De naoorlogse jaren zijn door hard werk en ontberingen gekenmerkt. Lina krijgt een tweede kind, werkt in het gemeenschappelijke huishouden alsook in de landbouw en als werkster in particuliere huishoudens. Wades blijft tot hij met pensioen gaat bij Beumlers op de “Weißer Hof”, mest daarnaast varkens en runderen vet en maakt zich in het dorp door zijn grote handigheid en zijn hulpvaardigheid onontbeerlijk. In 1959 kan het paar een eigen huis betrekken. Władysław slaagt erin contact met zijn zussen in Polen tot stand te brengen, ze schrijven en bezoeken elkaar.

In januari 2008 overlijdt Władysław Stankowski. Bij de rouwplechtigheid neemt het hele dorp afscheid van Wades; veel begrafenisgangers moeten voor de overvolle kapel in de open lucht staan. Lina leeft met haar dochter en kleinkind in haar huis in Uschlag.

Naoorlogse jaren

Na de nederlaag van Duitsland, na de bevrijding door de geallieerde troepen in het voorjaar van 1945 bevonden zich tienduizenden voormalige dwangarbeiders in Zuidnedersaksen. Voor de Duitse bevolking kon hun terugkeer niet vlug genoeg gaan: Als „Displaced Persons“ die de arbeidsmarkt niet ter beschikking stonden, leken ze alleen maar het leven te storen en op de begrotingen van de gemeentes te drukken. Vaak kwam het tot ruzies tussen de leden van beide groepen.

De bereidwilligheid om zich intensief en kritisch met het onmiddellijke verleden van het nationaal-socialisme bezig te houden was heel gering. Verdringing en ontlasting kenmerkten de algemene houding; de veroordeling van de dwangarbeid als oorlogsmisdaad in de „processen van Neurenberg“ in 1946 werd maatschappelijk nooit werkelijk geaccepteerd. Zodoende speelde de behandeling van dwangarbeiders in de denazificeringsprocedures nauwelijks een rol. In de plaatselijke kronieken en heemkundige onderzoekingen worden de dwangarbeiders hoogstens als plunderaars van Duits eigendom vermeld, waardoor men ze als daders bestempelde en niet als slachtoffers van een oorlogsmisdaad waarnam. Op monumenten met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog herdacht men hen niet.

De verzorging en repatriëring van de DPs betekende een grote uitdaging. In het westen organiseerden de bezettingsautoriteiten DP-kampen, waarvan enige tot in de jaren vijftig bestonden, waaronder de grote kampen in de Kurhessenkazerne in Hannoversch Münden en in Moringen.

Voor veel voormalige dwangarbeiders was de terugkeer naar hun vaderland niet gemakkelijk of zelfs onmogelijk. Alleen al op het gebied van de huidige bestuursdistricten Göttingen en Northeim overleden er meer dan duizend: Ze gingen door ondervoeding, overwerking of ziektes te gronde, stierven in strafkampen of aan de gevolgen van mishandelingen, werden terechtgesteld, hadden dodelijke bedrijfsongevallen, liepen onmiddellijk na de bevrijding vergiftigingen op door alcohol waarmee geknoeid werd, pleegden zelfmoord of stierven een natuurlijke dood in den vreemde, ver van familie en vrienden. De overbrenging van de lijken naar hun vaderland duurde jaren, soms vond deze nooit plaats.

Anderen moesten eerst lichamelijk en psychisch herstellen. Dwangarbeiders uit de Sovjet Unie kregen te maken met de geheime inlichtingendienst en vaak de stigmatisatie als „verrader“ omdat ze „voor de vijand gewerkt“ hadden. Repatrianten naar Polen vreesden gelet op de politieke toestand in hun vaderland iets dergelijks. Velen hadden de binding met thuis totaal verloren. En een aantal wilden om de meest uiteenlopende redenen in Duitsland blijven.

Justitie

Een juridische verwerking van het onrecht vond in feite niet plaats. Er is tot nu toe nauwelijks een vonnis van een Duitse rechtbank bekend, dat wie dan ook vanwege de behandeling van buitenlandse dwangarbeiders in Zuidnedersaksen ter verantwoording riep. Een proces tegen de pachter van een domein Waldemar Wissemann uit Himmigerode bij Sattenhausen spande de Duitse justitie alleen maar op bevel van het Britse militaire bestuur aan. Hoewel Wissemann aantoonbaar Poolse dwangarbeiders met bruut geweld had mishandeld en door Polen werd beschuldigd dat hij zijn voormalige dwangarbeider Jan Ciździel in 1945 vermoord had, bedreef de justitie het geval uiterst nalatig. Tenslotte seponeerde de 5. strafkamer van het hoogste federale gerechtshof in Duitsland de zaak omdat de benadeelden van een veroordeling geen nut hadden: De één (Jan Ciździel) was reeds dood en de anderen leefden in Polen en zouden daarom van een bestraffing van Wissemann niets te weten komen.

Het bleef aan Poolse rechtbanken voorbehouden om in een paar gevallen daders uit Zuidnedersaksen vanwege de behandeling van dwangarbeiders ter verantwoording te roepen. In november 1947 veroordeelde het kantongerecht Warszawa (Warschau) de pachter van een domein Friedrich Rollwage vanwege mishandeling van Poolse dwangarbeidsters op het kloostergoed Diemarden tot twaalf jaar gevangenisstraf maar ze lieten hem in 1953 vrij. In hetzelfde proces werd de voorarbeider in de landbouw Karl Rümenap uit Setmarshausen wegens het slaan van een Poolse arbeider tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. In 1948 stonden Karl Piel en August Schwarz, de één bedrijfsleider en de andere voorarbeider in de Solinger Hütte in Uslar, in Warschau voor de rechtbank omdat ze beschuldigd werden Sovjetische krijgsgevangenen en Poolse dwangarbeiders met bruut geweld mishandeld te hebben en in telkens één geval schuldig te zijn aan hun dood resp. aan hun plaatsing in een concentratiekamp. Terwijl August Schwarz tot acht jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, kreeg Karl Piel de doodstraf en werd op 19 december 1949 in Warschau terechtgesteld.

Schublade öffnen/schließen

Deckblatt des Urteils des Landgerichts Köln in dem Entschädigungsrechtsstreit »Viktoria Delimat, 34 Göttingen gegen die Bundesrepublik Deutschland«:

Quelle: Wiktorja Delimat, Göttingen

 

Passagen aus dem Bescheid des Bundesverwaltungsamts Köln vom 11. Mai 1971 und aus dem Urteil des Landgerichts Köln vom 15. März 1972 zeigen die Abwehr der deutschen Behörden gegen Wiedergutmachungswünsche ehemaliger Zwangsarbeiterinnen und Zwangsarbeiter:

Quelle: Wiktorja Delimat, Göttingen

 

Schadeloosstelling

Na de hereniging van beide Duitse staten leidde het onopgeloste probleem van de schadeloosstelling voor voormalige dwangarbeiders tot groepsaanklachten in de VS. Deze bedreigden eind jaren negentig van de twintigste eeuw enige grote, van de export afhankelijke Duitse bedrijven met hoge financiële eisen en een duidelijk verlies van aanzien. Pas onder deze druk werd in het jaar 2000 de stichting „Erinnerung, Verantwortung und Zukunft“ („Herinnering, verantwoordelijkheid en toekomst“), EVZ, opgericht. Het basisvermogen ter hoogte van 10 miljard DM werd telkens voor de helft door de Bondsrepubliek Duitsland bijeengebracht en met een belastingvoordeel door Duitse bedrijven ingezameld, waarbij de bedrijven problemen hadden met hun aandeel. Meer dan 1,6 miljoen mensen (van ongeveer 8,4 miljoen civiele dwangarbeiders in het Duitse Rijk) kregen in totaal 4,37 miljard euro uit de middelen van het stichtingsfonds. Op die manier wisten zowel de Duitse staat als ook Duitse ondernemingen, waarvan een aanzienlijk deel een groot economisch voordeel van de NS-dwangarbeid had getrokken, bescherming tegen schadevergoedingsprocessen te verkrijgen. Het uitbetaalde bedrag vormt slechts een klein gedeelte van de loonsom, die aan de dwangarbeiders onthouden werd.

Met een aanvraag om schadevergoeding uit het stichtingsfonds moesten voormalige dwangarbeiders van iedere verdere vordering met betrekking tot het nationaal-socialistische onrecht afstand doen. Dit gold ook voor middelen uit de Duitse sociale verzekering, waarop ze tijdens hun gedwongen arbeidsinzet onvrijwillig geld hadden gestort. Het principe van de rechtstreekse verantwoordelijkheid werd zo ver mogelijk uitgesloten. Duitse ondernemingen, die dwangarbeiders hadden ingezet, waren niet verplicht geld in het stichtingsfonds te storten. De in het kader van het stichtingsinitiatief van het Duitse bedrijfsleven verenigde bedrijven kwamen echter in de wetspreambule openlijk uit voor de historische verantwoordelijkheid voor het handelen van ondernemingen, die betrokken waren bij het nationaal-socialistische onrecht.

Aan de reguleringen en de praktijk van de schadevergoedingen uit het stichtingsfonds kleefden enige aanzienlijke fouten: De termijnen voor de aanvragen waren te kort en te star, de bewijsprocedures te bureaucratisch. Hele groepen slachtoffers bleven uitgesloten, waaronder de voormalige dwangarbeiders in huishoudens en in de landbouw alsook de ongeveer 130.000 nog levende Italiaanse militaire geïnterneerden. Het geld was gelet op de talrijke ontvangers en hun aanspraken in z‘n geheel karig berekend. Enige partnerlanden hieven de uitsluiting van de in de landbouw en in huishoudens ingezette dwangarbeiders weer op, maar moesten dan ook de betalingen aan dwangarbeiders uit de industrie bekorten.

Epiloog

Door de publieke discussie van het onderwerp aan het begin van de 21. eeuw ontplooide zich vlug een grote maatschappelijke belangstelling voor het lot van de voormalige dwangarbeiders. De reactie in Duitsland was ambivalent. Aan de ene kant onstonden talrijke initiatieven voor de schadeloosstelling van voormalige dwangarbeiders, geschiedkundige verenigingen (Geschichtswerkstätten/History Workshops) en andere instellingen vonden met hun desbetreffende engagement voor de eerste keer publiek gehoor. Een groot aantal studies verduidelijkte al snel de concrete, lang verdrongen geschiedenis van de dwangarbeid, op de diverse plaatsen waar deze zich afspeelde. Tevens wezen de onderzoekingen uit, hoe groot de lacunes in de archieven waren, die door een vaak doelbewust veroorzaakt verlies van dossiers waren ontstaan. Op verscheiden plaatsen vond het onrecht van de NS-dwangarbeid nu ingang in het publieke herdenken. Aan de andere kant wees men op het vermeend toch veel zwaardere lot van de Duitse krijgsgevangenen, vreesde men de kosten van de schadeloosstelling persoonlijk mee te moeten betalen, en zag zich zelf in de slachtofferrol. Ook racistische ondertonen drongen weer aan de oppervlakte. Het moest nu eindelijk maar eens afgelopen zijn met die „eeuwige aanklacht“ van Duitsland, heette het meer dan één keer.

Dwangarbeid is op alle plaatsen – in Duitsland net zo als in de respectievelijke vaderlanden van de gedeporteerden – een moeilijk onderwerp. Er bestonden en bestaan heel wat persoonlijke contacten tussen Duitsers en voormalige dwangarbeiders, verbindingen dwars door Europa. Is het toegestaan mensen uit hun vaderland weg te rukken en van hun vrienden en families te scheiden om ze te laten werken? Ontstaan door die manier van handelen van de staat morele verplichtingen tegenover de mensen? Hoe kunnen op die manier toegevoegde wonden genezen? Is een schadeloosstelling überhaupt mogelijk? Deze vragen werden in persoonlijk contact tijdens de naoorlogse jaren vaak vermeden. Als de integratie in de Duitse maatschappij moest lukken, mocht het vroegere lot voor degenen die in Duitsland bleven geen rol meer spelen. In tegenstelling bijvoorbeeld tot de Duitse „ontheemden“ uit Oosteuropa wier opname in de Duitse maatschappij ook niet zonder complicaties verliep, werd de voormalige dwangarbeiders de maatschappelijke thematisering van hun leed niet toegestaan. Deze tentoonstelling poogt  de genoemde vragen na te gaan doordat ze aan de voormalige dwangarbeiders veel gelegenheid geeft hun belevenissen te vertellen.

De publieke belangstelling voor dit onderwerp maakte het moeilijke spreken over de eigen geschiedenis voor sommige voormalige dwangarbeiders gemakkelijker. Het kon ook als een vorm van erkenning worden ervaren.  Een schadeloosstelling voor het geleden onrecht kon het niet zijn.

Władysław Stankowski zegt over de schadeloosstelling:

„Dat, wat ons werd aangedaan, dat vandaag te vergoeden – dat kan niemand. Dat is toch alles – armzalig is het, als je dat vandaag bekijkt, hoe zich nu, na zoveel jaren, waar de mensen allemaal niet meer leven en er niets meer van hebben … - dat te vergoeden, dat kan niemand!“


En Wiktorja Delimat meent:

„Als ik dat in 1945 zou gekregen hebben of in 1950 toen ik nog arm was en niets had! Maar vandaag …
Dat is toch helemaal niet meer schadeloos te stellen. Eigenlijk de gehele kinderjaren, de jeugd ook. Is toch niet schadeloos te stellen. … Ja, zo is dat dan. Je leeft ermee.
.


Bron:
Geschichtswerkstatt Duderstadt e.V.


Bron:
Lina Stankowski, Uschlag


Bron:
Lina Stankowski, Uschlag


Bron:
Geschichtswerkstatt Duderstadt e.V.


Bron:
Wiktorja Delimat, Göttingen


Bron:
Wiktorja Delimat, Göttingen


Bron:
Geschichtswerkstatt Duderstadt e.V.


Bron:
Archiv der KZ-Gedenkstätte Moringen; Foto privat


Bron:
Günther Siedbürger, Göttingen


Bron:
Günther Siedbürger, Göttingen


Bron:
Günther Siedbürger, Göttingen


Bron:
IPN Warszawa SOW 87 GK 269/87


Bron:
IPN Warszawa SOW 87 GK 269/87


Bron:
Stadtarchiv Uslar